Infinitely big,
Infinitely small

De verfijnde schoonheid die we in de natuur aantreffen, berust vaak op natuurwetten die het ontstaan van alle mogelijke patronen en structuren bepalen, zowel in de macroscopische als in de microscopische wereld.

Van de Griekse filosofen tot de moderne wetenschap is de mens altijd op zoek gegaan naar die patronen en probeert hij ze te begrijpen door een beroep te doen op wetenschappelijke kennis om natuurfenomenen te modelleren en, als dat kan, te voorspellen, te simuleren en zelfs te beheersen.

Het maakt niet uit om welk vakgebied het gaat, elk wetenschappelijk model kan vertaald worden naar wiskunde, en dat op om het even welke schaal – van de verre ruimte tot op subatomair niveau.

Einsteins beroemde vergelijking E=mc² beschrijft de relatie tussen massa en energie. Dat model ontketende een revolutie in de astrofysica omdat het nieuwe inzichten bood om fenomenen zoals ruimtetijdkromming en zwarte gaten te begrijpen.

Aan het andere uiteinde, bij oneindig kleine dingen, kunnen symmetrische patronen en meetkundige figuren ons helpen om te begrijpen hoe atomen in kristallen gerangschikt zijn en er modellen van te maken.

De verre ruimte en atomen, allebei onbereikbaar en onzichtbaar voor het blote oog, worden waarneembaar en begrijpelijk dankzij wiskundige concepten.

Wiskunde is in talloze domeinen toepasbaar en enorm efficiënt om de natuurwetten te beschrijven. Ze heeft wetenschappers, denkers en kunstenaar altijd al gefascineerd. Ze hebben zich er keer op keer door laten inspireren en wiskunde op ongelofelijk creatieve manieren toegepast.

Die opmerkelijke kracht doet een boeiende vraag rijzen waar al eeuwenlang hevig over wordt gediscussieerd: is wiskunde uitgevonden of ontdekt?